• anjakeesmaat

Blog 28 Door het oog van een medicane


‘Hebben jullie de weersvoorspellingen gezien?’ We hebben Fotis van de marineshop in Pylos aan de lijn. Als trouwe donateurs van zijn winkeltje hebben we de afgelopen twee jaar een band opgebouwd. ‘Het is voor jou beroerder dan voor ons, want het lijkt erop dat hij, net zoals twee jaar geleden, weer in Pylos aan land komt,’ reageert Wim.

‘Wat een mazzel dat we niet meer in Pylos liggen,’ zeggen we tegen elkaar.

We wanen ons veilig in Argostoli op Kefaloniá, waar we aan de stadskade liggen aangemeerd. Het zou toch wel heel bizar zijn als hij hier aan land komt, doch Medicane Ianos is een grillig en agressief mannetje dat continue van richting verandert. We bestuderen zes verschillende weersverwachtingen en ze zeggen alle zes iets anders. Het is ondertussen wel duidelijk dat hij zeer waarschijnlijk wel bij Kefalonia aan land komt. Hoe krijgen we het uitgezocht?!

We bekijken onze opties. Die zijn beperkt, vanwege een verkeerde wind, verkeerde motoren en een verkeerde vrouw. Verder naar het noorden varen zou het beste zijn, want dan ontspringen we misschien de dans, maar de wind is noord, dus zeilen gaat niet. Motoren met onze kleine Yanmars van 9 pk (daar bereiken we zo’n beetje de snelheid van een driewieler mee, of als we ze echt pushen de snelheid van een joggende zestiger die ‘forever young’ wil blijven) is ook niet echt een optie. Het is niet echt een aantrekkelijke gedachte om te worden ingehaald door Ianos.

Het wordt dus Argostoli. We hebben drie mogelijkheden. We blijven aan de kade, we gaan ankeren in de baai of we verhuizen naar de jachthaven aan de overkant.

Eerst maar op inspectie in de jachthaven. Het is een wat overdreven benaming voor de puinhoop die we daar aantreffen. Het ligt vol met vergane glorie, in beslag genomen vluchtelingboten, projecten die nooit van de grond zijn gekomen en wat verdwaalde ‘liveaboards’.

We maken een praatje met één van hen. Wat we van hem horen, is het niet echt een veilige haven bij sterke wind. ‘Wat als een van die boten losgaat en iedereen ramt?’ vragen we onszelf bezorgd af.

Vervolgens kijken we naar onze volgende optie; ankeren in de baai. Dit zou verreweg het beste zijn. Je ligt dan in elk geval vrij van de kade, maar we spreken een aantal zeilers die met het mooie weer van de afgelopen dagen al hebben liggen krabben en juist aan de kade zijn gaan liggen omdat ze het niet aandurven. En wat als iedereen heel veel ketting heeft uitstaan en de wind gaat draaien of als er één gaat krabben en iedereen meetrekt? We weten het niet meer.

We overleggen met de toerboot die naast ons ligt. Zij maken zich niet zo druk. Het kan hier best wel spoken, maar meestal lig je hier wel goed. Blijf een beetje uit de hoek van alle schepen die daar ge-Medmoored liggen (die liggen met de achterkant aan de kade en de voorkant aan het anker, een gebruikelijke manier van aanleggen in de Middellandse Zee). Volgens de havenmeester is er helemaal niks aan de hand en ligt iedereen veilig. Wij liggen met ons stuurboord aan de kant, zodat ik iets makkelijker van boord kan vanwege mijn arm, en hij vraagt ons of we kunnen opschuiven. We mogen nog een stukje verder, maar ‘niet waar de vissers liggen, anders krijgen jullie problemen met de vissers.’ Dat is jammer, want dat lijkt ons veiliger.

We verplaatsen zo ver mogelijk bij de rest vandaan en werken ons een slag in de rondte om alles stormbestendig te maken. Alles wat los zit of eventueel los kan gaan, leggen we binnen of binden we vast. ‘Vergeet niet je zeilen vast te binden,’ adviseert een bevriend stel dat al dertig jaar vaart. Het is een gouden tip. We hangen alle fenders aan de walkant, met de grote bollen ertussen. Ik, als neurootje, doe dat keurig om en om. Mijn arm krijgt een spoedcursus ‘niet zeuren’ en we werken zij aan zij koortsachtig door. Wim bevestigt kruislings lijnen aan de constructie voor de zonnepanelen, zodat die niet kan scharen. Ik wil een lijn eroverheen, zodat ze niet kunnen vliegen.

Om de boot van de kade te houden, willen we twee ankers uitzetten. We laten voorzichtig onze bovenmaatse Mantus met dertig meter ketting in de dinghy zakken en Wim vaart weg. Na hem te hebben aangetrokken, lijkt hij goed te zitten. Aan de achterkant doen we hetzelfde met een Danforth anker met 10 meter ketting en dertig meter touw. Het is een scoop van 1:15, wat genoeg moet zijn. We liggen nu zo’n anderhalve meter van de kade af.

Op dat moment ligt de kade redelijk vol, maar in de loop van de dag, als het iets harder begint te waaien, verdwijnen een voor een alle jachten richting de jachthaven. Het geeft ons het ongemakkelijke gevoel dat we iets helemaal verkeerd doen. Als dan ook de toerboot naar de overkant vertrekt, zie ik het even niet meer zitten. De adrenaline stroomt in vloeibare vorm over mijn wangen.

‘Waarom huil je?’ vraagt Wim. Ik weet het echt niet. ‘Ik wil hier weg, we moeten niet aan boord blijven. Het is te gevaarlijk. Ik ga mijn leven niet op het spel zetten voor een stuk plastic, ook al heeft dat een mooi design en is het alles wat we hebben. Maar we kunnen er niet af, nu hij zover van de kade ligt.’ Ik zie de tweestrijd in zijn ogen. Hij vecht zich liever dood dan van boord te gaan.

Jaren geleden, toen we door Zuid-Amerika gingen reizen, hebben we met elkaar afgesproken dat als ik iets niet zou zien zitten, we het niet zouden doen en dat ik me dan niet zou hoeven te verdedigen. Een soort veto. Het is maar één keer voorgekomen. Dit wordt de tweede keer.

‘Als je het echt wil, gaan we eraf. Ik krijg jou echt wel op de kant hoor met die arm, maak je geen zorgen.’

‘Ik wil dit echt.’

‘Okay, dan gaan we van boord.’

Wim graaft de loopplank uit, die verstopt ligt onder jerrycans met diesel en benzine, en maakt hem vast aan de zijkant van de boot. Hij haalt net de kade.

We graaien onze spullen bij elkaar en hebben nog een discussie over een stekkerblok. ‘Waarom neem je een stekkerblok mee, dat slaat toch nergens op?’

‘Jawel, in een hotel heb je altijd te weinig stopcontacten.’

Ik prop wat lievelingsshirts, mijn dure spijkerbroek, die ik nog nooit heb gedragen vanwege de hitte, onze papieren, toiletspullen en de laptops in een waterdichte tas. Mijn e-reader kan tegen water, maar ik neem hem toch maar mee.

We gaan van boord en Wim bindt de loopplank vast aan een hek. Tegenover de straat is een hotel waar nog een kamer is met uitzicht op de boot. Ik ben vooral opgelucht. Wim is terneergeslagen.

‘Laten we nog even snel een hapje eten voor het geweld losbarst’.

Wanneer we langs onze ‘Exodos’ lopen, zien we dat ze al dichter op de kant ligt. Wim staart naar onze droom, waar hij twee jaar lang met bloed, zweet en tranen en heeft gewerkt. Machteloos balt hij zijn vuisten. Ik sta met tranen in mijn ogen. Ik realiseer me dat hij voor mij de boot heeft achtergelaten.

‘Dit gaat zo fout,’ zegt hij. ‘Hij ligt veel te dicht bij de kant. Laten we maar snel gaan eten, ik kan het niet aanzien.’ Het zit hem niet lekker.

‘Als je het niet vertrouwt, moet je terug gaan. Nu kan het nog.’ zeg ik in het restaurant.

Hij loopt terug naar de boot en trekt de ankerketting strakker aan, zodat de Exodos weer iets verder van de kade ligt, en komt weer terug naar het eettentje. De eigenaar zet onze maaltijd in de magnetron en zwijgend werken we de opgewarmde massa naar binnen.

We checken voor de zoveelste keer de weersvoorspellingen, maar het is nog steeds niet echt duidelijk wat ons precies te wachten staat. Sommigen laten een zwarte rand zien, wat betekent dat er boven de 64 knopen wind komt, wat meer is dan 12 Beaufort. Waarschijnlijk passeert het oog ons rond vijf uur ‘s morgens en begint het daarna opnieuw, maar dan met de wind uit tegenovergestelde richting.

‘Ik zie jullie op de camera.’ We krijgen een appje van ome Arie. Die heeft vanuit Nederland ontdekt dat er camera’s op de kade staan, die zorgen voor live-entertainment voor iedereen die het wil zien en meeleeft.

In de loop van de avond neemt de wind toe en zien we hoe onze boot ligt te stuiteren. Zo lang het nog mogelijk is, gaat Wim regelmatig kijken. Hij vindt na een intense smeekbede op de kade twee autobanden met een touw eraan. Hij propt ze tussen de boot en de kade. Het blijkt een gouden vondst te zijn. Ze hebben achteraf de boot beschermd, omdat de fenders gingen drijven en de autobanden op hun plek bleven.

In het hotel zijn de bootjesmensen te herkennen aan hun blote voeten. De schoenen zijn nat of vergeten. We zitten met een Frans echtpaar dat hun jacht in de baai heeft geankerd en met de dinghy aan de kant is gekomen. Er is een Australische vrouw. Haar man is op hun catamaran gebleven en naar de jachthaven gevaren, en er is een Zwitsers stel, dat naast ons lag, maar toch besloten heeft om te gaan ankeren. We voelen ons meteen met elkaar verbonden. Dit tot wanhoop van het personeel, omdat we veel te dicht bij elkaar zitten. Sommige dingen zijn belangrijker dan Corona. Bovendien leven we allemaal geïsoleerd op onze boten. Zo’n vaart zal het niet lopen. De Australische maakt zich grote zorgen. Haar man zit alleen op hun catamaran en ze kan hem telefonisch niet bereiken.

We gaan vroeg naar bed om nog wat slaap te pakken. ‘s Nachts om twee uur schrik ik wakker. De wind loeit, de regen komt horizontaal langs de ramen en onder het kozijn door, en de golven slaan over de kade. De live-camera is uitgevallen. Als ik uit het raam kijk, zie ik alleen nog de vage contouren van de ‘Exodos’. We zijn klaarwakker.

Om een uur of vijf is het opeens stil. We zitten in het oog van de orkaan. Het is een rare gewaarwording. Wim schiet snel zijn kleren aan en waadt door kniehoog water naar de boot. Hij wil een van de sterke kabels naar achteren verplaatsen, omdat na ‘het oog’ de wind uit de andere richting komt. Hij klimt aan boord om de ankers weer aan te trekken, zodat de boot weer verder van de kant ligt. De bridal die de spanning op de winch moet verminderen, wordt beter vastgezet en hij bevestigt nog een backup. Hij is op tijd weer terug. ‘Tot nu toe geen schade.’ meldt hij.

De wind barst weer los. Wij denken op dat moment nog dat we het ergste hebben gehad, maar dat moet nog komen.

‘s Ochtends bij het ontbijt tref ik de anderen weer aan. We krijgen geen hap door onze keel. Het jacht van de Zwitsers is losgekomen van het anker en ligt tegen de kade te beuken. Ze hebben vannacht hulp ingeroepen van de kustwacht, maar die weigerden om iets te doen. Ze wilden hun jacht voor de boot van de kustwacht leggen om beter beschermd te zijn tegen het tweede gedeelte. Er is plek zat, maar het wordt geweigerd. We kijken met zijn allen machteloos toe hoe hun jacht wordt prijsgegeven aan de golven en langzaam aan het zinken is, met de mast als stille getuige van wat ooit was.

De Australische krijgt eindelijk haar man te pakken. In één hull staat water en die is aan het zinken. Hij zit in de andere hull, maar kan er niet uit. Hij zou tegen de kade geslagen worden. Er zijn golven metershoge golven en het water stroomt met groot geweld over de steigers. Het gaat zo te keer dat hij door het raam de kiel van de boot naast hem uit het water ziet komen. Hij kan de familie in Australië wel bereiken, maar de coastguard aan de overkant geeft niet thuis. Ze nemen de telefoon niet op en reageren niet op de marifoon. De bezorgde familieleden krijgen via via de dienaren van de Griekse wet uiteindelijk wel te pakken, maar de heren zijn niet van plan om actie te ondernemen. Te gevaarlijk.

Ze heeft het slecht en we proberen haar te troosten op een pre-Covid manier. Gewoon vasthouden, meer kunnen we niet doen. Als ze een kop thee bestelt, krijgt ze te horen dat dat niet meer bij het ontbijt hoort, want het is na tien uur, dus ze moet het kopje thee wel betalen. Is dit echt?

De boot van de Fransen is ook aan het draggen, maar lijkt te worden tegengehouden en ligt weer stil. Het ziet ernaar uit dat het anker weer houvast heeft gevonden. Achteraf blijkt dat dat waarschijnlijk het anker van de Zwitsers is geweest. Het ironische is dat hun anker de Franse boot heeft gered en de banden die ze op de kade hadden achtergelaten onze boot.

De wind neemt nog steeds toe. Het is nu veel slechter dan vannacht. De kinderen volgen in Nederland met grote belangstelling de toestand van onze boot via de live-camera’s op de kade. Ze hebben een andere gevonden die het nog wel doet. Ons huis stuitert op de golven. Ik kan het niet aanzien.

We zitten gespannen bij elkaar in het restaurant. Het is fijn om bij elkaar te zijn. We zijn dankbaar dat we veilig zijn, maar zien ook het verdriet van de Zwitsers om het verlies van hun jacht, de zorg van de Australische om haar man en de spanning van de Fransen of hun boot het gaat halen.

Het duurt maar en het duurt maar. Gaat die wind dan nooit liggen?!

Het wordt nog erger. We kunnen het hotel niet uit en bestellen een pizza. Het is de meest gore pizza die we ooit op hebben. Het vet druipt op het servetje en we krijgen de bodem amper gesneden. Zo taai is het. We gaan naar bed en hopen dat het morgen beter zal zijn.

Na een lange nacht wordt het toch vanzelf weer dag en blijkt Ianos eindelijk verder te zijn getrokken om zijn verwoestende werk voort te zetten.

Bij het ontbijt likken we onze wonden. De Engelse is opgelucht. Haar man is veilig. Er zitten twee Polen bij hem aan boord die gevlucht zijn vanaf hun boot. Hij heeft het water uit de ene hull weten te pompen en het lijkt erop dat de hull nog steeds heel is en dat het regenwater en zeewater via de deur naar binnen zijn gekomen en niet via een gat in de romp. De schade lijkt mee te vallen. Hij heeft honger en vraagt hoe hij pasta moet maken.

‘Zullen we een pizza bestellen en laten bezorgen?’ zeggen we tegen elkaar. Misschien dat die wel gaan. We krijgen de slappe lach. Een soort ontlading van de spanning. De Zwitsers van het gezonken jacht proberen hun bijboot te verkopen aan de Fransen die hun bijboot terug hebben gevonden onder een catamaran. Er is niks meer van over. Wij krijgen alle blikjes als het jacht wordt gelicht en de Australiërs erven de drankvoorraad.

Ze hebben al bericht gehad van de coastguard dat hun gezonken jacht weg moet worden gehaald. Het is ongetwijfeld een vervelend gezicht als ze al koffiedrinkend tegen een mast zitten aan te kijken, als stille aanklacht tegen hun falende beleid. Er wordt een afspraak gemaakt dat ze langskomen met de ambassadeur die uit Athene is gekomen om hen bij te staan, maar die wordt afgebeld, het komt de heren niet uit. Gebeurt dit echt?

Gelukkig is iedereen goed verzekerd, behalve wij. Wij zijn alleen verzekerd voor schade aan derden.

Maar gebed lijkt in ons geval ook uitstekend te werken. We zijn geraakt dat zoveel mensen met ons hebben meegeleefd en voor ons hebben gebeden. Ook vrienden die compleet atheïstisch zijn. Het ontroert ons. We beseffen dat het belangrijkste in het leven God, elkaar, familie en vrienden zijn. Belangrijker dan een boot of ander materieel bezit. Over carrière en geld heb ik de afgelopen twee dagen niemand gehoord.

Diane, de buurvrouw, wil graag naar haar man Peter toe. Er is een loopbrug, dus ze kan er lopend heen, maar ze heeft twee heupprotheses, dus ze durft niet zo goed. Ik bied aan om met haar mee te gaan. Ik ben ook wel benieuwd wat ik daar aantref. Het was aan die kant zoveel slechter dan aan onze kant. Een aantal mensen hebben ons via Facebook gevraagd of we een kijkje willen nemen bij hun boten die daar op de kant staan en ik wil graag het verhaal van Peter filmen. Diane vindt het fijn als ik dat vastleg.

De voetgangersbrug is aan de ene kant nog intact en aan de andere kant is de bovenste laag stenen eraf gekomen. We klimmen over omgevallen bomen heen en lopen voorzichtig door de modder. Het is spekglad. Twee oude wijven. De één met een gebroken arm, de ander met twee geopereerde heupen, maar het lukt ons. De hereniging van de twee geliefden is hartverwarmend. Ik leg het verhaal van Peter vast voor hun nageslacht en voor onze vlog. Hij vertelt dat zijn windmeter de 115 knopen heeft aangetikt, wat 220 km/u is! Zijn zonnepanelen zaten om de mast gekruld.

We lopen door de haven. Diane is heel spontaan en praat met iedereen. Ik lift daar op mee en luister. Zelfs de Griekse vissers zijn spraakzaam. Zo’n ramp verbindt mensen. De verschillen vallen weg. De schade is groot. Er zijn zeven boten gezonken.

‘Hoe is het met het jacht van de naakte Duitsers?’ vraagt Diane. Hij zou aan boord blijven om eventueel samen met het schip te vergaan. Het was het schip van een vriend. We vinden het schip gezonken terug. De zwabber om het dek te dweilen, die in een houder staat, komt nog net boven het water uit. De Duitser was gelukkig iets minder heroïsch dan hij had verwacht en ze hadden de boot op tijd verlaten. Deze keer allemaal gekleed.

Er ligt een boot van twee weken oud van twee Denen. De hele zijkant is zwaar beschadigd. Er bungelen nog net een paar reepjes zeil bovenin de mast. Het wordt verzekeringswerk. Als hij was gezonken, hadden ze een nieuwe boot gekregen. Nu wordt hij gerepareerd. Ze hadden liever een nieuwe boot gehad.

Er ligt nog een boot onder water, van een chartermaatschappij. De mensen die hem hadden gehuurd, hebben hem slechts met twee lijntjes vastgelegd. Dat was te weinig. De manager is niet blij met zijn klanten, vooral omdat zijn boot een ander jacht heeft meegesleurd naar de ondergang. Er is nog een gezonken houten boot, maar die bleek door het regenwater en de golven te zijn volgelopen. Ze hebben hem leeggepompt en hij ligt weer vrolijk te dobberen. Eigenlijk is dat de beste manier. Af laten zinken en dan weer leegpompen.

We zien twee Grieken die op hun schip bezig zijn. Het is een toerboot voor toeristen. De één heeft zijn hand in het verband.

‘Wat is er gebeurd?’ vragen we geïnteresseerd.

Hij vertelt dat hij zijn wijsvinger is kwijtgeraakt omdat die knel kwam te zitten tussen de trossen. Hij is tijdens ‘het oog’ van boord gegaan met zijn stukje vinger. In het ziekenhuis zagen ze geen kans om het er weer aan te zetten. Ze hebben de wond gehecht en hij is zonder vinger, maar met mitella, weer snel terug gegaan. Hij was net op tijd.

‘Je bent gek,’ zeggen we.

Hij is het niet met ons eens. ‘Het is mijn brood en het is maar een vinger. Mijn “willy” doet het nog prima. Die is groot en sterk,’ lacht hij, wijzend naar zijn geslachtsdeel.

En zo zijn er nog zoveel verhalen, maar ik ga stoppen, anders wordt deze blog veel te lang. Nogmaals iedereen bedankt die met ons heeft meegeleefd en voor ons heeft gebeden. We zijn dankbaar dat we er zo goed vanaf zijn gekomen. De schade is beperkt gebleven tot een afgebroken bulb (dat uitsteeksel dat onder water zit, net zoals grote zeeschepen) en twee kapotte doorvoeren, maar die zitten gelukkig boven water. Maar ook al waren we gezonken, was er wel weer een oplossing gekomen. God is goed voor ons. Ere wie ere toekomt...



3,286 keer bekeken
This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now