• anjakeesmaat

Blog 31 Het plebs van de Med en de grote oversteek naar Malta

Bijgewerkt op: 6 jun.


We houden van Kioni en we hebben elke keer wel een reden om iets langer te blijven.

Als we terugkomen van het boodschappen doen, staan onze buren over de boot te discussiëren. Hij valt op tussen al dat gestroomlijnde spul.

‘Wat een bijzonder model,’ zegt de ene buurman – dat is politiek correct voor ‘wat een raar bootje’. ‘Wij vroegen ons af waarom hij aan de voorkant maar één uitsteeksel heeft. Is dat een speciaal design?’

‘Nee, dat is schade. Wij gaan dat nog een keer repareren. Ooit. We hebben al een stuk plastic pijp gekocht en een plastic bal, en dan doen we daar een beetje epoxy over.’ Wim ziet het helemaal voor zich.

De heren zijn tevreden met de uitleg en verplaatsen zich naar de kuip voor hun ‘sundowner’. Dat is bootjestaal voor zuipen tijdens de ondergaande zon. En zuipen kunnen ze.

Omdat we niet eeuwig in Kioni kunnen blijven, sukkelen we met onze onderzeeër met zeilen richting Fiskardo. Er staat weinig wind en de motoren zwoegen en pruttelen door het water. We zijn blij als we 2,5 knopen halen. Onthaasten noemen ze dat. Wij vinden het k.. motoren. Gelukkig kunnen we in het zicht van de haven nog een stukje zeilen. Dat maakt een hoop goed. De snelheid schiet omhoog en we horen in plaats van de motor weer golfjes en wind.

In eerste instantie vinden we Fiskardo niet echt uitnodigend, maar in tweede instantie valt het alles mee. We vinden zelf dat het Medmooren heel soepel en zonder hard praten verloopt. De opvarenden van de omliggende jachten staan niet klaar met hun stootwillen, dus we denken dat we het best goed doen. Ik zwem bevallig (lees: hoofd boven water, schoolslag en nog net geen badmuts op) met 90 meter touw naar de kant, zoek daar een rots of boom om het geheel aan vast te maken en Wim speelt met de motoren. Het is een goede taakverdeling. We zijn trots op het resultaat, al vindt Wim het vanuit technisch oogpunt gezien nog steeds een stomme manier van aanleggen.

Tegen de avond loopt de baai vol met megajachten. De strijd om de laatste plekjes is begonnen. Alles is geoorloofd. Het recht van de sterkste geldt. Er komen twee grote jachten aan, die zich links en rechts van ons nestelen. De ene buurman houdt van Duitse schlagers, de andere van muziek uit de sixties. Wij hullen ons in stilte om de processen niet te verstoren.

De volgende morgen kijk ik tijdens het ontbijt tegen de blote billen van de buurman aan. Ik weet niet wat dat is met die boven-de-vijftigers. Waarschijnlijk maken die zich niet meer zo druk om het esthetisch incasseringsvermogen van hun buren. Gelukkig word ik afgeleid door het gezoem van een irritante drone. Het blijkt geen drone, maar de helikopter van een wat verderop gelegen jacht met esthetisch design te zijn. De arme man moet vast naar zijn werk. Wij zitten luidkeels in de kuip commentaar te leveren en houden stug vol dat we met niemand willen ruilen.

Het enige minpunt van al die grote jachten is dat ze ook grote bijboten met grote motoren hebben, die met een rotgang voorbij komen stuiven. Het personeel strak in polo en shorts, de gasten wat frivoler. Ze produceren flink wat golven. Bovendien zijn er ‘s middags een stuk of zes veerboten die luid toeterend de baai binnen komen stormen. We liggen niet echt op een rustig plekje. Het is altijd fijn als er een jacht midden in de baai vaart, zodat de veerboten vaart moeten minderen. Af en toe kijken we bezorgd naar ons anker. Kan dat al dat geweld wel aan?

We verkennen Fiskardo, drinken veel te dure koffie en hebben vakantie. We hebben nog geen nieuw boek om te vertalen en dat is best prettig. Wim haalt de oude speargun van zijn vader tevoorschijn. Het gaat eindelijk gebeuren. Vanaf nu hebben we verse vis op het menu.

Na een paar uur komt hij met een zeer bescheiden exemplaar met gele strepen terug. Je moet ergens beginnen. Ik gun hem zijn vangst, dus hij mag hem helemaal zelf opeten. Ik vind het maar een raar beest. Na wat speurwerk op het internet schijnt zijn vangst hallucinogene eigenschappen te bezitten. Wim ziet na twee uur nog steeds geen roze olifanten en doet niet gekker dan gewoonlijk, dus het zal met dit exemplaar wel meevallen. Gelukkig was het een kleintje. De volgende keer lukt het vast beter om iets groters aan de haak te slaan, want hij zag een grote barracuda voorbij schieten, dus er is hoop. De kuip ligt nu vol met zwemvliezen, duikbril, snorkel, speargun, allerlei nepvisjes, een duikpak, een duikmes en een hengel. Een echte jager heeft alles voor de grijp.


Bij gebrek aan vis varen we naar de kant om wat kipfilet te kopen. We zien in de verte de grote ferry’s weer aankomen.

‘Je zou toch raar kijken als je bootje door de golven tegen de rotsen belandt.’

‘Nou inderdaad. Het zal de eerste keer niet zijn.’

Er staat inmiddels een flinke bries als we met de kipfilet terugvaren.

‘Lag de boot zo dicht bij de kant?’

‘Volgens mij niet.’

‘Hij ligt wel errug dicht bij de kant.’

‘Hij ligt wel heul errug dicht bij de kant.’

We varen vol gas richting de boot om de schade op te nemen. De boot ligt één meter bij de eerste onderwaterrotsen vandaan. Ik gooi de kip naar binnen en start de motoren. Wim gooit de lijnen los en we proberen van de kant te komen. Het gaat net goed.

‘Ik zwem wel naar de kant om de lijnen te halen,’ opper ik wanneer we in veiligheid zijn.

‘Oh nee, dat doe ik!’ protesteert mijn lief. ‘Dat is te ver.’

‘Dat zullen we nog weleens zien.’ Met een beetje adrenaline lukt dat echt wel. Eigenlijk hebben we best een goede samenwerking. Buiten adem kom ik met 90 meter touw terug zwemmen, waarna we het anker ophalen. Er blijkt een enorme klomp klei en zeewier op te zitten. Ik probeer met een pikhaak (zo heet dat echt) de groenvoorziening weer naar de eeuwige jachtvelden te sturen. Dat scheelt een stuk.

We varen naar de overkant en ankeren daar. De wereld ziet er weer een stuk relaxter uit.

Ik zie tegen de reis naar Malta op. Ik vind vier dagen op zee best wel een ding en als ik op de zeekaart naar alle wrakken kijk – inclusief dat van Paulus – die voor de kust liggen, is dat ook niet erg bevorderlijk voor mijn gemoedsrust. Maar dan bedenk ik me dat terwijl ik me druk zit te maken over Malta, we hier onze boot bijna naar de gallemiezen hebben geholpen. En dan is Malta opeens niet zo bedreigend meer. Er gaat meer mis in een haven dan op zee.

‘We gaan met vakantie naar Malta!’ Een appje van schoondochter Mirjam. Samen met zoonlief Ben, vriend Ted en dochter Karin stappen ze over twee weken op het vliegtuig. Dat vergroot mijn motivatie om naar Malta te varen meteen enorm. We verwachten een dag of vier onderweg te zijn. Wim voorziet geen problemen; ik heb alle rampenscenario’s in mijn hoofd. Die stress gaat alleen maar weg door het te doen. We bekijken de weerberichten en we wikken en wegen, want we hebben niet veel tijd. Eerst is er geen wind, dan een beetje veel wind, dan wind uit de verkeerde richting en dan weer geen wind. Dat moet te doen zijn. We hebben een boodschappenlijst alsof we de oceaan moeten oversteken. Wat er ook gebeurt, we zullen niet omkomen van de honger.

Wanneer we de buitenboordmotor willen starten, blijft het oorverdovend stil. Wim probeert het nog eens, nog eens en nog eens. De enige die nu herrie maakt, is Wim, maar de motor geeft nog steeds geen sjoege. ‘Dat komt weer lekker uit,’ moppert mijn lief. ‘Net nu we boodschappen moeten doen en ver weg liggen.’ De rest zal ik niet herhalen. Zuchtend zoeken we de peddels op en roeien met de riemen die we hebben naar de kant.


We varen langs een megajacht. Aan de achterkant bevindt zich een opblaasbare lounge set. De dames en heten zitten met de billen in het zilte nat terwijl ze aan hun cocktails nippen. We verontschuldigen ons voor het verzieken van hun uitzicht en ploeteren in het zweet des aanschijns verder. Ze kijken het tafereeltje welwillend aan. Wij kijken jaloers naar de buitenboordmotoren van hun bijboot.

Ook aan deze ellende komt een eind en als alle proviand een plekje heeft gekregen, zijn we helemaal klaar voor de grote reis. De buitenboordmotor repareren we wel in Malta.

‘s Morgens vertrekken we met weinig wind uit Fiskardo. Het is voor ons de laatste haven van Griekenland voordat we in het grote niets verdwijnen. We hebben een goede tijd in Griekenland gehad. Ik snap eigenlijk niet zo goed waarom we hier weggaan.

Ik ben benieuwd hoe het gaat lopen. Geen idee hoe ik het vind om dag en nacht in touw te zijn. Vroeger had ik een hekel aan nachtdiensten, maar misschien is dit anders.

Tegen de avond begint de wind toe te nemen tot 25 knopen (6 Beaufort) met uitschieters naar 30/32 knopen (7 Beaufort) Het is een maanloze avond en pikkedonker. De golven worden steeds hoger en komen op een gegeven moment vrijwel recht van de zijkant. Voor de diehard zeiler stelt het waarschijnlijk allemaal niet zoveel voor, maar ik vind het indrukwekkend en als er een golf over me heen komt ook koud. Ik droog wel weer op. Voor de telefoon en de tablet is het iets minder. Daar moeten we nog iets op verzinnen. Gelukkig ben ik niet bang, maar ik voel me wel nietig, zo in ons eentje op die grote zee. Ik weet dat onze Vader in de hemel alles in de gaten houdt, en dat onze beschermengelen nachtdienst hebben en tegen een burn-out aanzitten. Dat geeft wel rust.

De boot spuit vooruit. Het is voor het eerst dat er een beetje gang in zit. Het water bruist, de boot beweegt alle kanten op en heen en weer lopen is een hoop gedoe, dus ik blijf maar zitten. Het is een lange nacht. Genoeg tijd om te mijmeren en mijn leven te overdenken. Ik moet denken aan een regel uit een psalmversje van vroeger – gezongen op hele noten, want dat was eerbiediger – Dan wachters op de morgen. De morgen, ach wanneer? Daar kan ik me nu wel iets bij voorstellen. Wat duurt zo’n nacht eindeloos lang. Zeker als het zo donker is. Ik weet ook niet of ik dit wel leuk vind. Soms denk ik: Wat doe ik mezelf aan?

Ook deze keer komt de zon weer op en als het licht is, ziet de wereld er weer heel anders uit. De wind wordt minder en de zon schijnt. De boze zee is nu een kalme, goedmoedige reus. We zeilen nog steeds en hebben het naar ons zin. Ik ga binnen poolshoogte nemen. De kratjes met groenten zijn omgevallen. Er stond nog een volle emmer water in de badkamer. Wat de gedachte daarachter was, weet ik niet precies meer, maar die is nu halfvol. De rest ligt door de kajuit heen. Er is nog een glas gebroken, maar verder staat alles nog op zijn plek.

We koken, kletsen, rommelen wat aan de zeilen, staren naar de golven en naar elkaar. Eigenlijk is het wel relaxed, zo samen op een bootje. Onbereikbaar voor de buitenwereld. Dobberend in het grote niets.

Na een tijdje heeft Wim zijn ultieme stiltemoment wel weer gehad. ‘Ik ga zwemmen,’ kondigt hij aan.

‘Je bent niet wijs. Straks kom je niet meer bij de boot. Zit ik hier in mijn eentje.’

‘Nee, joh. Ik zwem hard genoeg.’

Ik wil geen partypooper zijn en een mens heeft zo zijn dromen, dus mijn lief springt overboord. Hij heeft zijn momentje weer gehad en ik ben blij dat hij weer aan boord komt. Hoe komt hij aan die stomme ideeën? ‘En nu ga ik vissen,’ kondigt hij aan.

Dat werd tijd. Ik vertrouwde de kipfilet niet, dus die is overboord gegaan. De enige verse filets die we nu nog hebben, hangen onder onze armen, dus verse tonijn is welkom. Nadat Wim al zijn nepvisjes heeft verspeeld en er nog steeds niks is gevangen, trek ik zuchtend een blikje tonijn open. Ik vermoed dat de man het jagersinstinct in de loop der jaren een beetje is kwijtgeraakt.

‘Ooit gaat het me lukken,’ zegt hij vol zelfvertrouwen. ‘Het komt door al die vissersboten. De hele Middellandse Zee is inmiddels leeg gevist.’ Ik houd wijselijk mijn mond. Hij heeft misschien wel een beetje gelijk. We varen regelmatig langs kilometerslange netten.

Na vier dagen en nachten zijn we in de buurt van Malta. De wind is inmiddels tegen en we vorderen maar langzaam. Ik neem een douche in de kuip,

‘Je hebt een stalker!’ roept Wim.

‘Ja hoor, vast!’ roep ik terug. Ik zie niks.

‘Ha, ha. Kijk maar naar boven.’

Een helikopter draait een rondje om de boot, is waarschijnlijk gerustgesteld dat we geen vluchtelingenboot zijn en vervolgt zijn weg.

‘Een mens kan nog geeneens rustig douchen,’ mopper ik.

We hebben inmiddels de wind tegen en er zit geen gang meer in.

‘We kunnen misschien wel laveren en dan een beetje rechts uit de flank,’ zegt mijn lief optimistisch. Dat rechts uit de flank is in de praktijk achteruit. Malta wordt weer kleiner.

‘Zo komen we er nooit!’ sputter ik. Wim staat best open voor wat goede argumenten en even later motoren we weer tergend langzaam richting de kust.

Het leven is er sinds alle Covid-maatregelen niet simpeler op geworden. Zodra we binnen de territoriale wateren zijn, moeten we ons melden bij de havenautoriteiten. Er wordt dan een Covid-test à 200 euro per persoon afgenomen en als de uitslag goed is, krijgen we permissie om het land te betreden.

Dat is de theorie. Nadat we voor de twintigste keer ‘Valetta Port Control. Valetta Port Control. This is sailing yacht Exodos. This is sailing yacht Exodos.’ geblèrt hebben, geven we het op. Die mensen hebben waarschijnlijk meer te doen dan zich bezig te houden met zo’n rottig plezierjachtje. We bellen voor ons fatsoen ook nog met de medische dienst, maar de warrige Indiër aan de andere kant van de lijn die het ook allemaal niet meer snapt, probeert ons te woord te staan. Daarna snappen wij het ook niet meer. We vinden dat we ons best hebben gedaan en gaan moedig voorwaarts richting de haven.

Er zijn maar twee ankerplekken in Valetta en verder alleen maar steendure havens. Dan moet je toch wel denken aan 120 euro per nacht. Dat is iets voor rijke mensen. Wij houden het op ankeren en het is dus spannend of er plek is. Het liefst de ankerplek bij de oude stad, want onze kinderen hebben daar vlakbij een appartement gehuurd.

De entree van Valetta is indrukwekkend. We varen langs hoge muren, indrukwekkende burchten en heel veel kerken en kathedralen. We hebben niet veel tijd om van het uitzicht te genieten, want overal varen kleine kinderen in kleine rotbootjes rond. Het leukste vinden ze om net voor de boeg langs te scheren. Dat maakt het allemaal iets spannender. Ik zweet peentjes. Word er geen toezicht gehouden op die rotjong? Zonder kleerscheuren komen we eindelijk op de plek van bestemming aan. We zijn de enige. Daar houden we van. We laten het anker zakken.

Het grote genieten kan beginnen...

Voor de liefhebber nog een youtube-filmpje



 

718 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven