• anjakeesmaat

Blog 6: Heibel in de herberg



Na twee weken hectiek en gezelligheid in Nederland wordt het tijd voor ons nieuwe avontuur. We scheuren ons los van onze kinderen en kruipen de lage landen uit.

Uitgerekend vandaag besluit men namelijk om het hele wegennet tussen Dordrecht en Parijs aan te gaan pakken, zodat de weg weer mee kan in de vaart der volkeren. We sukkelen verder. ‘Hebben we een keer een schema en een deadline, mislukt het meteen jammerlijk,’ jammeren we tegen elkaar. ‘Dit schiet niet op.’ Halverwege de avond, wanneer de rest van het verkeer zich ter ruste begeeft, krijgen we het weer naar onze zin. We hebben de weg voor onszelf en gaan van benzinepomp naar benzinepomp steeds voort.Tegen de ochtend zijn we in Pamplona. We zoeken een hotelletje om niet al te verlopen aan te komen in de herberg, waar we vrijwilligerswerk gaan doen. Pamplona is leuk. Daar moeten we nog eens beter gaan kijken.


Herberg

Keurig op tijd melden we ons de andere dag bij de herberg. Het ligt halverwege een heuvel in een heel klein dorpje. We kijken uit op gele velden vol koolzaad, wijngaarden en graanvelden. We worden welkom geheten door een van de drie managers en we installeren ons in het naastgelegen huis voor vrijwilligers. We hebben een kamer met een prachtig uitzicht op de omgeving en op het pleintje.

De herberg bestaat uit drie voormalige huizen en is ongeveer 400 jaar oud. Het biedt plaats aan zo’n 25 pelgrims. We worden rondgeleid en het duizelt me van de trapjes en de kamertjes en doorgangetjes. Dat gaat nog wel even duren voor ik op een rijtje heb welke kamer zich waar bevindt.

De andere dag zullen we allebei ingewerkt worden. Wim weet nog niet of hij daarna mee gaat werken. Het hangt er een beetje vanaf of hij vertaalwerk heeft.


De werkzaamheden in de herberg zijn zo’n beetje verdeeld over 4 taken. Na het gezamenlijke ontbijt gaat iedereen schoonmaken.

De hospitalero ontvangt vanaf een uur of een ‘s middags de pelgrims, schrijft ze in en maakt ze wegwijs. Hij houdt een praatje tijdens de gezamenlijke maaltijd en nodigt ze uit voor de Jezus-meditatie. ‘Meditatie?’ zeg ik verschrikt. ‘Ja,’ zegt de manager van de herberg enthousiast. ‘We hebben elke avond een Jezus-meditatie.’ Ik verslik me bijna. ‘Wat is dat voor esoterisch gedoe?’ mopper ik tegen Wim. Ik heb daar niks mee. Zie het in de Bijbel niet terug. Je kunt rechtstreeks met God communiceren. Die barrière is door Jezus weggenomen. Daarvoor hoef je niet eerst een half uur naar je navel te gaan zitten staren.

Veel pelgrims zijn echter vertrouwd met yoga en wanhopig op zoek naar rust. De meeste staan wel open voor een Jezus-momentje.

Wanneer ik ‘s avonds tijdens het gezamenlijke stil zijn de gezichten bestudeer, zie ik zoveel vermoeide trekken en zoveel verdriet door wat ze mee torsen, dat mijn hart overstroomt. Ik wil niets liever dan ze bij Degene brengen die belooft dat hij iedereen die vermoeid en belast is rust zal geven.

Op dat moment ben ik optimistisch en denk ik dat ik het nog wel op kan brengen om bij die meditatie te zitten. Ook al heb ik er niks mee en denk ik meer dat het een modeverschijnsel is. Gebakken lucht.

Om 10.15 sluiten de deuren en ligt iedereen braaf op bed.

De early bird is om zes uur aanwezig om het ontbijt klaar te zetten. Dat bestaat uit muesli, yoghurt, cakejes, roggebrood, stokbrood, boter, kaas, worst, jam, koffie, thee en sap. Het is voor de meesten een prettige verrassing, want de gemiddelde Spaanse ontbijtjes stellen niet zoveel voor. Het volgende dorp ligt 12 km verderop, dus er is onderweg ook niet veel te krijgen. De meeste pelgrims zijn tegen achten allemaal vertrokken en dan wordt het ontbijt voor de vrijwilligers klaargezet. Na het schoonmaken heeft iedereen vrij. ‘s Middags gaat de early bird de hospitalero helpen met de ontvangst van de pelgrims en zet hij de tafels klaar voor het avondeten en helpt hij met afruimen.

De kok, de naam zegt het al, zorgt na het schoonmaken ‘s middags voor het eten. Dat is nog een hele klus voor 25 á 30 man.

De assistent-kok heeft dezelfde taak als bovengenoemde, maar assisteert. Het is een hoop hak- en snijwerk, want het is de bedoeling dat er veel groenten worden gegeten. Het vlees is beperkt tot 80 gram per persoon.

Wij beginnen onze taak met schoonmaken. Met elkaar is dat best te doen. Twee keer gebruikt iemand het doucheputje als toilet. Voor de grote boodschap. Dat trekt alleen niet zo goed door, maar verder wordt het redelijk schoon achtergelaten. Het is een heel leuk team. Het vervelende is wel dat je continu verschillende instructies krijgt en iedereen vindt zijn/haar methode natuurlijk de beste. Na twee weken weet ik het echt niet meer. De een wil de knijpers laten hangen, zodat de pelgrims ze kunnen gebruiken. De ander wil ze weghalen omdat dezelfde pelgrims ze meenemen. Nummer drie haalt alleen de houten knijpers weg.

Na twee weken denk ik: rotknijpers.

Hetzelfde geldt voor de dweil. De een wil voor de badkamers en toiletten een aparte dweil. De ander wil de boven- en benedenverdieping met een verschillende dweil en nummer drie maakt het allemaal geen flaus aus.

Na twee weken denk ik: Rotdweil.

Na een maand komen goede vrienden van de managers vrijwilligerswerk doen. Ze hebben het al vaker gedaan, dus zijn ervaren. Manager 4 en 5 doen dus hun entree.

‘De bedden doen we niet zo, hoor. De lakens moeten anders.’

Met een diepe zucht leg ik de lakens in de gewenste plooien en denk ik: Rotlakens.


Na twee weken hebben we het dus aardig door. Ik vind koken leuk om te doen. Wim vindt het hospitaleren erg leuk. Ik doe vijf diensten en Wim één, omdat hij inmiddels twee boeken heeft, die ook nog vertaald moeten worden.

Tijdens ons verblijf in de herberg hoor ik een paar enthousiaste kreten van Wim. Er staat een enorme overlandertruck in het straatje. Zijn hart slaat een slag over als hij het gevaarte ziet staan. Het blijft toch trekken. Zijn hart slaat twee slagen over als hij ziet wie erin zitten. Die kennen wij! JP en Hannie. Wat gaaf. Het weerzien is hartelijk. Even later zitten we gezellig te kletsen in hun mooie appartement op wielen. Alsof we elkaar gisteren nog hebben gezien. In werkelijkheid is het wel even geleden. Ruim een jaar, om precies te zijn. In Bariloche, in Argentinië. Het is de andere morgen nog een hele toer voor hen om door de smalle straatjes heen het dorp uit te navigeren.


We vinden het werk leuk en ook de contacten met de pelgrims zijn warm. We horen zoveel verhalen, mensen sjouwen zoveel verdriet met zich mee. Ze zijn vaak blij als ze even kunnen spuien. Tegen een onbekende is het soms makkelijker praten dan tegen een bekende of familie. Soms bidden we met mensen. Het zijn intensieve en waardevolle contacten. Het heeft ons hart en het is fijn om zinnig bezig te zijn.

Waar we wel tegen aanlopen, zijn de verplichte meditaties en verplichte bidstonden. We zijn niet goed met alles wat verplicht is. Maar we realiseren ons dat het na tien jaar ook weer even wennen is om in een team te zitten, dus ik besluit om mijn mond te houden en me te schikken, omdat de rest heel erg leuk en zinnig is.


Na zes weken blijkt dat toch niet zo’n goed idee. Ik stik er bijna in. De weerstand om mee te doen met de verplichte onderdelen wordt steeds groter. Vooral met die meditatie heb ik helemaal niets. Ook omdat het wordt gepresenteerd als iets wat wij, de vrijwilligers, heel fijn vinden om te doen. Fijn? Ik vindt er geen moer aan.

De bom barst tijdens een van de verplichte bidstonden. Ook een gesprek ‘s avonds verloopt niet echt vlekkeloos. we zitten aan ‘hun’ kindje. Het zijn aardige mensen, maar waag het niet om op dit gebied een andere mening te hebben. Maar het is hun toko, dus zij bepalen het beleid.

We besluiten om wat bedenktijd te nemen, om erachter te komen of we zo door kunnen en willen. De dag erna wordt er een kaart bezorgd van een pelgrim waar we mee gesproken hebben. Ze bedankt ons en zegt dat we precies op onze plek zijn. Voor ons een briefje uit de hemel. We vertellen het aan de leiding en zeggen dat we besluiten te blijven. Voor ons is het daarmee klaar, maar zij willen weer vergaderen. Het lijkt erop of we eruit komen, maar het gesprek krijgt een grillige wending en het loopt zo hoog op dat Wim er beroerd van wordt. Hij voelt zich ziek, krijgt last van een benauwd gevoel op zijn borst en zit in één klap weer in zijn burn-out periode. Hij moet weg. We trekken de stekker eruit en nemen afscheid.


We verdwijnen dus met gezwinde spoed. Eén ding is duidelijk. We kunnen heel snel verhuizen. Het verdient geen schoonheidsprijs en zeker geen christelijke, maar we weten zo gauw geen andere oplossing. Ik heb aan de ene kant het gevoel dat ik de boel aardig heb verziekt. Aan de andere kant kunnen we niet doorgaan met iets wat dwars tegen onze principes ingaat en waaraan we gedwongen worden om mee te doen.

En dan rijden we tegen twaalven door de donkere provincie Navarra. Geen idee waar we heen moeten en al helemaal niet wat we verder moeten. We besluiten richting Pamplona te rijden, omdat we daar goedkope hotels hebben gezien. Gelukkig is er nog een plekje. We besluiten een paar dagen te blijven om het gebeuren een plekje te geven en bovendien moet Wim nog werken. En zo liggen we even later in bad met een kwart glaasje Port onze zonden te overdenken.

Het is fijn om even afstand te nemen. Het heeft er meer ingehakt dan we beseften. We praten, praten en praten. Tussendoor doen we ons tegoed aan de tapas en de pinchos, en voelen we ons vooral weer vrij. We passen nooit meer in een systeem, zeggen we berustend tegen elkaar, maar ook: ‘Het klopt niet wat ze beweren.’


Als we de zaak van alle kanten hebben bekeken en er over hebben gebeden, gefilosofeerd, gediscussieerd en gemediteerd – oh nee, dat laatste niet – komen we tot de conclusie dat we het zo niet kunnen afsluiten. Als het goed is, moeten we nog een eeuwigheid met elkaar doorbrengen. We kunnen gelukkig oprecht zeggen dat we geen hekel aan hen hebben. Het is alleen het systeem en bepaalde denkbeelden waar we tegenaan liepen.

Wij zijn ook geen lieverdjes en zeker niet meegaand, dus is het goed om vergeving te vragen voor de dingen waarbij we fout zaten. Ik schrijf een voor mijn doen erg milde mail en daar wordt positief op gereageerd. Over de meditatie zullen we het nooit eens worden, dus dat laten we maar zo. Het heeft geen nut om daar eindeloos over te discussiëren en daarmee sluiten we het af. In theorie dan, en met ons verstand.


Na zes dagen onze wonden te hebben gelikt en weer enigszins bij positieven te zijn gekomen, stappen we in ons autootje en vertrekken we richting San Sebastian. Het gebeuren heeft meer impact dan we prettig vinden en we rijden een beetje verloren richting de kust. Na San Sebastian en Bilbao willen we naar Santiago en Finisterre, de einddoelen van de pelgrims.

Reizen kunnen we als de beste. We zitten opeens op het surfstrand naar de zee te staren en naar de capriolen van de surfers. ‘Wat een stompzinnig leven hebben we toch,’ zeggen we tegen elkaar. Voor meer bespiegelingen over het leven hebben we geen tijd, want er komt een enorme golf aan, die ik wel zie en Wim niet, omdat zijn camera tegen zijn oog zit geplakt. Ik red het vege lijf en de cameratas, en Wim redt zijn camera, omdat hij die gelukkig in zijn hand heeft. Hijzelf is echter zeiknat.

We krijgen een berichtje van Natascha en Rene, die we nog kennen uit Suri en die ook door Zuid Amerika gereisd hebben.

‘Zitten jullie nog in die Herberg?’

‘Nou nee. Hoezo?’

‘Nou, wij zitten namelijk in Spanje met een camper.’

Ze blijken in de buurt te zijn, in een klein kustplaatsje verderop. Het is nog een gedoe om hen te vinden. Er rijden wel meer campers rond in het Spaanse land, maar even later zijn we toch geïnstalleerd. Wim zit net uitgebreid verslag te doen van de overlandertruck van JP en Hannie.

‘Oh,’ zegt Rene, ‘zoiets?’

Er komt inderdaad een truck aangereden. ‘Ja,’ zegt Wim,’ precies dezelfde. Sterker nog, ze zijn het.’ Na wat gezwaai en geschreeuw trekken we hun aandacht en zitten we even later met zijn zessen aan de koffie. Een spontane Zuid-Amerika reünie. De wereld is klein. Het is zo gezellig, dat het opeens half acht ‘s avonds is. Tijd voor wat culinaire versnaperingen in het dorpje. Tegen elven beseffen we dat we nog geen plekje voor de nacht hebben, dus we gaan er snel vandoor om landinwaarts nog iets te vinden. Aan de kust is het inmiddels hoogseizoen met dito prijzen.

‘Today was een good day,’ zou Pooh zeggen.


De andere dag gaan we via de Picos de Europa richting Santiago de Compostella. De Picos zijn prachtig en Santiago is een mooie stad. Vlakbij het plein waar de pelgrims zich verzamelen, zitten twee violisten en een gitarist te spelen. Het klinkt wat weemoedig. Hun muziek raakt een gevoelige snaar en je ziet mensen een traantje wegpinken. Het is voor velen een ontlading na een lange moeilijke tocht. Vanachter mijn zonnebril doe ik stiekem mee. Ik heb respect voor alle mensen die deze tocht hebben ondernomen.

We komen op het plein nog een pelgrim tegen die ons herkent. Hij begroet ons enthousiast. Het is een beetje wrang.

Aan het einde van de dag komen we aan in Finisterre, het einde van de wereld, voorlopig even het einde van de reis. We willen kijken of we hier iets kunnen vinden waar we wat langer kunnen blijven.

Dat kan niet, maar daarover de volgende keer meer. Anders wordt het te lang ...




17 keer bekeken
This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now