• anjakeesmaat

Blog 35: Monastirische hitte


‘Helllooo! Where you from? Germany. Holland? Hoe gaat het? Alles goed? Look in my shop. Good price.’

Wij: ‘Holland. Het gaat goed. Ja hoor alles gaat prima. We hebben niets nodig. Geen plek in de boot.’

‘Helllooo! Where you from? Germany. Holland? Hoe gaat het? Alles goed? Look in my shop. Good price.’

Wij: ‘Holland. Goed. Nee.’

‘Helllooo! Where you from? Germany. Holland? Hoe gaat het? Alles goed? Look in my shop. Good price.’

Wij: ‘Holland. Goed.’

‘Helllooo! Where you from? Germany. Holland? Hoe gaat het? Alles goed? Look in my shop. Good price.’

Wij: ‘Nee.’

‘Laten we aan de overkant gaan lopen,’ zegt Wim.

Er zijn wat toeristenwinkeltjes aan het begin van de medina. Als we ons daar doorheen hebben geworsteld, worden we verder niet lastig gevallen. Op de overdekte markt schreeuwen de verkopers naar iedereen. In het midden van de ruimte wordt vis verkocht. Geen viswijven hier, maar visventers en die kunnen er ook wat van. Er liggen grote tuna’s waar Wim wat afgunstig naar kijkt. Aan de andere kant worden we aangestaard door de dode ogen van geiten en schapen. Gelukkig hebben ze ook groenten, fruit en bakken vol met kruiden. Alles is lokaal. Op zich natuurlijk hartstikke goed, maar de keuze is beperkt tot wat bladgroenten, wortels, aubergines en af en toe wat courgettes, pompoen en verdwaalde bonen. Je moet het vlug opeten, want in de hitte is het snel weg.

De keuze in fruit is een stuk ruimer: perziken, bananen, druiven, abrikozen, meloenen, verse vijgen en wat ondermaatse appeltjes en tomaten (ja, dat is fruit). We zullen niet omkomen van de honger. De overdekte markt is een eind lopen in de hitte, maar het is de enige plek waar groente te krijgen is. In de supermarkt liggen wat zielige restjes.

Ook wij hebben een gastekort, dus we moeten op zoek naar een plek waar we onze gasflessen kunnen vullen. Dat is niet zo’n probleem hier. We moeten in een straat achter de medina zijn en dan links af en daar is een blauwe deur. De man loopt een stukje mee om het aan te wijzen. Het kan niet missen. Achter de blauwe deur treffen we een stel pittige moslima’s aan die dat wel even kunnen fiksen. Het stikt overal van de kleine bedrijfjes. Voor alles is wel een oplossing te vinden. Dingen worden eindeloos gerepareerd.

Het valt op dat er heel weinig straattentjes zijn waar ze eten verkopen. Alleen ’s avonds op de boulevard zijn er een paar. In de haven zijn genoeg restaurants, maar die zijn erg gericht op de toeristen en niet zozeer op lekker eten. Het valt op dat er geen serveersters zijn. Er zijn alleen mannen die bedienen. Het is hard werken. Ze beginnen rond een uur of twee ’s middags en gaan door tot half drie ’s nachts. Tijdens het hoogseizoen zo’n zeven dagen in de week. De ober wil naar Europa en daar vrachtwagenchauffeur worden. Ik vrees dat hij niet de enige is.

Wij vinden de sfeer in Monastir wel gemoedelijk. Mensen reageren vriendelijk. Spaghettibandjes en sluiers kwebbelen gemoedelijk met elkaar en we voelen ons overal welkom. Je ziet vrijwel geen boerka’s. Ik vind kleding een lastig ding, vooral omdat het bloedheet is. Ik begrijp niet dat de gesluierde vrouwen het niet verschrikkelijk warm hebben, maar ze zien er wel cool uit.

Achter de boulevard is een strand. Het lijkt redelijk gemixt. In de zin van mannen in zee, vrouwen onder de parasols en wat jonge meiden die gekleed het water ingaan met sporadisch een badpak en heel af en toe een frivole Tunesische in bikini.

Claire, een medezeilster van rond de zestig, ook gezegend met grijs haar, wil een poging wagen. We trekken ons degelijkste badpak aan. Dat moet toch wel lukken? Heel de sfeer verandert als je je als twee westerse vrouwen op het strand begeeft. We vinden het verschrikkelijk. We worden nagefloten, aangestaard en van die snotneuzen proberen een praatje aan te knopen, met in hun achterhoofd waarschijnlijk het felbegeerde visum naar Europa. We proberen zo snel mogelijk het water in te gaan. Zo dicht mogelijk bij de sporadische vrouwen die er ronddobberen en zo ver mogelijk onder water. Als we nergens op reageren, neemt de belangstelling echter af. We voelen ons absoluut niet bedreigd. Het is alleen heel ongemakkelijk om zo in de belangstelling te staan.

Als Wim de volgende keer meegaat, trek ik een zwart T-shirt met lange mouwen en een korte broek aan. Het zwemt van geen meter. Alsof ik weer af moet zwemmen voor mijn A-diploma, maar alles beter dan die starende blikken. Deze keer ben ik weer overdressed. Om ons heen zwemmen nu opeens een paar Tunesische dames in badpak. Zelfs eentje met glittertjes. Misschien vakantiegangers. De aanwezigheid van Wim scheelt ook een stuk. We zijn nu geen lopende toegangskaartjes voor Europa meer.

Monastir is de aangewezen plek om onze boot uit het water te hijsen. In Italië was dat 900 euro. Hier ongeveer 105 euro. Voor dat bedrag tillen ze de boot uit en in het water, stutten ze hem, spuiten ze hem schoon met de hogedrukspuit, zorgen ze ook nog voor een trap en regelen ze het papierwerk. Je mag je in Tunesië niet zomaar verplaatsen. De vissershaven waar we op de kant moeten ligt zo’n 2 NM (3,7 km) bij de jachthaven vandaan, maar we moeten eerst naar het douanehoofdkantoor op het vliegveld om toestemming te krijgen om de boot op de kant te zetten en dan met die toestemming naar het kantoor van de immigratie in de haven, ons afmelden in het havenkantoor en vervolgens 24 uur van tevoren melden aan de havenpolitie dat we weg gaan.

We maken een afspraak met Ziëd, de man die een deel van de scheepswerf beheert, om te kijken wanneer we op de werf terecht kunnen. We hebben het weer fantastisch uitgezocht. Juist in deze periode gaan alle vissersboten op de kant voor hun jaarlijkse onderhoud en het offerfeest komt eraan, dus de komende twee weken gaat het niet lukken.

We wachten het geduldig af en vervelen ons niet. Op het terras onder de amandelboom is het goed toeven. Lekker koel en een ontmoetingsplek voor zeilers. Wim komt in contact met een Surinaamse Nederlander die het wel leuk vindt om af te spreken. Na een lang verhaal over zijn vreselijke vrouw en zijn visie op het leven, vertrekt hij om belangeloos een vriend te helpen zijn boot over te zeilen naar Malta, maar ze zijn binnen een dag weer terug met panne.

Ook Richard en Vivienne, die we nog kennen uit Licata, worden met motorpech binnengesleept. Eerst zat het zeil vast, toen scheurde het en tot overmaat van ramp begaf de motor het. In tegenstelling tot wat het weerbericht had voorspeld, hadden ze veel wind en hoge golven. Drama en ellende. Zeker als je 77 en 69 bent en bovendien nog slecht ter been.


Ziëd komt ons uiteindelijk halen en brengt ons naar het vliegveld. Hij is keurig op tijd. Ik moet opeens ook mee, maar dat bleek achteraf niet nodig te zijn, omdat alleen Wim maar mee naar binnen hoeft. Gelukkig is er airco, dus ik vind het allang prima.


Eindelijk kunnen we dus op de werf terecht. We slaan eten in alsof we de oceaan over moeten, want er is in die omgeving bijna niks te krijgen. Ik zie er niet naar uit. Het is vanwege de hitte echt de slechtste maand om de kant op te gaan en de toiletten en douches zijn verschrikkelijk. De vissers staan niet bekend om hun properheid.

Vivienne heeft echter een fantastische oplossing. Ze hebben een extra porta potti, een chemisch toilet, en dat mogen we lenen. Wat een uitvinding. Dat scheelt een hoop tochtjes naar het toilet met kaplaarzen aan en een fles chloor mee.

We vertrekken rond half zeven, zodat we als een van de eersten aan de beurt zijn. Natuurlijk zijn we te vroeg. Aangekomen in de haven is het niet echt duidelijk waar we kunnen wachten. Er liggen marineschepen, maar we denken niet dat ze het op prijs stellen als je langszij gaat liggen. Een visser schreeuwt behulpzaam ‘arrière!’ Gelukkig wenkt er een aardige man dat we langszij mogen bij een grote vissersboot. Als dank zet ik koffie voor hem, maar hij moet aan het werk. Daar gaat mijn koffiemok. ’s Avonds vind ik onder de boot de mok terug. Hij heeft hem netjes teruggebracht.

iëd arriveert en loodst ons in de richting van de enorme kraan. Ze trekken ons met lijnen over de brede banden heen en vragen aan Wim waar de schroeven precies zitten. Weten wij veel. Wim duikt meteen met zijn hoofd in het vieze water. Fijn, zo’n impulsieve man. Ik zie de bacteriën alweer massaal naar binnen marcheren. Dan springt hij weer op de wal om het geheel te filmen. Hij springt weer een keer terug om te kijken of het wel goed gaat en daarna springt hij weer terug en laat mij achter op een boot die langzaam omhoog wordt gehesen. Deze keer gaat alles wel goed. Ik heb even flashbacks van ons eerste bootje dat in Nederland uit de kraan viel en daarna total loss was.

Langzaam worden we op onze plek gezet en gestut met blokken hout. We zijn heel nieuwsgierig naar de kiel. Wim heeft een tijdje geleden bij het duiken een scheur ontdekt en is op het ergste voorbereid. Gelukkig blijkt een van de vorige eigenaren houten beschermbalken onder de kielen te hebben ge-epoxied en zit de scheur daarin. Dat maakt ons leven een stuk simpeler en scheelt een hoop werk. Verder willen we de achterkant versimpelen, want die is veel te zwaar. We zien overal haarscheuren zitten. We dachten dat anti-fouling (verf tegen aangroei) niet nodig was omdat er coppercoat op zat, maar gezien de enorme baard die onder de boot hangt, is het geen overbodige luxe om dat wel te doen en we zullen ongetwijfeld nog wel meer dingetjes tegenkomen.

Wim is in de weer met een groot zeil om iets meer schaduw te creëren. Zo’n zeil past gewoon niet en dat moet je met allemaal touwtjes vastzetten. Ik vind dat onzin, omdat ik denk dat het de wind tegenhoudt en ik hou niet van rommelig. Bovendien krijg ik dan helemaal het gevoel dat ik in een vluchtelingenkamp woon. Alleen wel aan de verkeerde kant van de Middellandse Zee. Volgens een vriendelijke oude Tunesische man gaat Afrika de wereld regeren, dus dan zitten we alvast goed. Gezien het Afrikaanse tempo vrees ik dat dat nog wel even gaat duren. Ik heb een wat andere visie, maar ik denk niet dat hij op mijn mening zit te wachten.

Maar eerlijk is eerlijk, Wim heeft gelijk, we hebben in onder ons zeil wel meer schaduw. Ik zal ermee moeten leven dat ons leuke huis met geweldig uitzicht is veranderd in een provisorische tent vanwaar ik naar een bouwval van een kantoor en boten in alle staten van ontbinding zit te kijken. Maar nogmaals, de mensen zijn aardig.

We zijn één van de weinigen die ’s nachts op hun boot blijven, maar er is bewaking. De wachter ziet er persoonlijk op toe dat ons niets overkomt. ’s Nachts lopen er roedels honden rond die geen puppytraining hebben gehad, dus ik denk niet dat iemand het in zijn hoofd haalt om in het donker te gaan lopen rondspoken. We voelen ons veilig.

De achterkant van de boot is ons een doorn in ons oog. Ik vertrouw het niet en ben steeds bang dat de hele boel op een gegeven moment naar achteren klapt omdat het te zwaar is. Als we het zwemplatform open schroeven, waar alles op zit gemonteerd en waar de zonnepanelen, jerrycans benzine en diesel, de bijboot en de buitenboordmotor op rusten, schrikken we. De steunbalk zit niet vast aan de hulls, omdat hij veel te kort is. De hele handel hangt aan een paar schroeven in dun polyester. Nu snappen we ook de haarscheurtjes (en grotere scheuren) overal. Het had een kwestie van tijd geweest voordat de hele boel was afgebroken en we stuurloos op zee hadden rondgedreven, want de stuurstang zit daar ook in. Met veel plezier schroeven we alles eraf. We houden van slopen. Het heeft wel wat, dat geklu(n)s samen. Wim vindt het zelfs erg romantisch. Ik vind het vooral erg hot. We moeten nu wel een nieuwe constructie verzinnen voor de zonnepanelen en om de bijboot aan op te hangen, maar Ziëd kent nog wel een mannetje.


Een beetje jaloers kijk ik naar al die zeilers die nu met hun jachten in paradijselijke baaitjes liggen, maar onze tijd komt nog wel. De Balearen lokken…


 




375 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven