• anjakeesmaat

Blog 32 De kinderen komen


Vanaf onze ankerplek hebben we een fantastisch uitzicht op het historische gedeelte van Valletta, maar als ‘s nachts de wind draait, liggen we ‘s morgens bijna in het plaatselijke zwembad. Traag zwemmen ouderen hun baantjes of hangen ze in de boeien om uit te rusten en bij te praten. De belendende rotsen worden overdag bevolkt door gezinnen en ‘s avonds door de plaatselijke jeugd. ‘Het lijkt de Ganges wel,’ verzucht mijn lief. ‘Gelukkig zonder lijken, maar wel net zo druk.’

Het anker krabt een beetje dus we schuiven steeds verder richting het plaatselijke vermaak. We hebben inmiddels wel door wat de reden is dat we hier in ons eentje liggen. De bodem is niet echt ankerproef. We hijsen zuchtend en steunend het anker weer op, verplaatsen de boel naar achteren en leggen er een twee anker bij zodat we wat minder heen en weer zwabberen. We liggen nu wat verder weg en midden in het parkoers van de kleine zeilbootjes. ‘Of we het vervelend vinden dat onze boot als draaipunt wordt gebruikt.’ Dat vinden we niet en zo hebben we heel de morgen entertainment van handige bliksempjes die hun kleine badkuipjes om onze boot heen manoeuvreren. Niet iedereen heeft evenveel talent en af en toe moeten we er eentje bevrijden die hulpeloos tegen de romp zit aangeklemd.

Na een wat halfslachtige quarantaine van een paar dagen besluiten we toch maar te gaan testen. Stel je voor dat we controle krijgen, dan kunnen we in ieder geval laten zien dat we van goede wil zijn en dat het echt niet aan ons ligt als de halve bevolking van Malta de komende weken doodgaat en stuiptrekkend op straat hun laatste adem uitblaast.

Ons gebaar van medemenselijkheid maakt ons wel 260 euro armer. Naastenliefde mag wat kosten.

Niet dat maar iemand in ons is geïnteresseerd. De coastguard vaart regelmatig langs met hun blik op oneindig. Aan de andere kant bevindt zich de marinebasis van Malta, maar die hebben ook wel wat beters te doen. De hele vloot bestaat uit vier schepen. Daar zullen ze de oorlog ook niet mee winnen. In vroegere tijden was dat wel anders. Er is wat afgevochten in Malta. We bezoeken rijk gedecoreerde kerken, waar megalomane ridders zich levensgroot hebben laten vereeuwigen met vermelding van al hun heldendaden, een museum met moderne kunst wat volhangt met oude meesters en oude forten waar ze voor het geïnteresseerde publiek regelmatig de kanonnen laten bulderen. Dat weten wij want we liggen er hemelsbreed vlak achter. Ook is er bijna elke weekend vuurwerk. De reden daarvan weten we niet. Wij vinden het een beetje overdreven. Zo veel? Zo vaak? Waarom? Volgens de één wordt het georganiseerd door de velen kerken. Er is altijd wel een heilige die vereerd moet worden. Er schijnen er zo’n 365 te zijn dus elke dag feest. Volgens anderen zijn het dorpsfeesten. Er is nogal wat competitie en dat is te horen en te zien.

Wij hebben ook wat te vieren. Op ons telefoonschermpje zitten we naar een heel gelukkig stel te kijken met de blijde mededeling dat er een heel leuk kindje onderweg is. Myriam en Quint worden vader en moeder en wij worden opa en oma en dat is groot nieuws. Wij zijn blij.

‘Dat wordt dus voorlopig geen oceaan,’ besluiten we unaniem. We willen niet op de oceaan zitten als ons eerste kleinkind wordt geboren. Hoe het allemaal verder moet, weten we ook niet zo goed. Het hangt ook af hoe alles verder gaat. Zijn we straks niet bij de wieg weg te slaan? Zitten onze kinderen daar wel op te wachten? Komen er nieuwe lockdowns en restricties wat het reizen sowieso bijna onmogelijk maakt? Komt er eindelijk een oplossing voor die bootpapieren? We hebben een registratie in Delaware geregeld, maar daar zijn we niet erg gelukkig mee. Wie wil er nou met een Amerikaans vlaggetje op zijn boot rondvaren? Het is meer om iets achter de hand te hebben als onze Nederlandse driekleur niet wordt geaccepteerd. Het zijn een heleboel vragen.

Voorlopig kunnen we ons beter druk maken om nijpender problemen zoals water. De watermaker werkt prima maar we moeten een nieuwe filter omdat met de oude filter het water nog niet zuiver genoeg is om te drinken. Een nieuwe filter wordt lastig want de aanvoer naar Malta is al weken een probleem. Voor alle producten zijn lange wachttijden. De winkeliers klagen steen en been. De importeur van de filters heeft niets meer op voorraad en krijgt voorlopig niets binnen.

Dan maar water proberen te krijgen in één van de vele jachthavens. Meestal is dat geen probleem.

We peddelen moeizaam naar de kant. De buitenboordmotor hangt nog steeds als een dood en zwaar lijk achterop en moet ook nog gerepareerd worden. Tot Wims grote frustratie kan hij het euvel niet vinden. Daar moet een monteur bijkomen. We meren aan bij een wiebelig, roestig platform. Ze zijn niet blij met ons, maar we mogen per gratie blijven liggen. Het is niet echt een warm welkom. Het ligt niet aan het personeel, maar ja, de baas hè. De jongen kan ons ook niet vertellen of we water mogen tappen en verwijst ons naar zijn meerdere. De meerdere weet het ook niet en verwijst ons naar de baas. De baas is in geen velden of wegen te bekennen dus gaan we weer terug naar de meerdere. Die kan er nog steeds niks over zeggen dus gaan we weer terug naar de jongen. Gelukkig is de jongen niet zo moeilijk en mogen we eindelijk twee jerrycans vol tappen. Nee, we hoeven niet te betalen.

Na een week of twee krijgen we eindelijk de baas te pakken. We kunnen wel water krijgen. Dat gaat ons 1,68 euro per liter kosten. Voor een jerrycan van 25 liter wordt dat 48 euro. Dat is duurder dan benzine, frisdrank of... De boodschap is duidelijk. We beginnen maar niet over de diesel die we nog nodig hebben.

Verder is Malta heel warm. Gelukkig hebben we ventilators in de boot want er moet ook nog worden vertaald. Het is een kwestie van heel stil zitten en af en toe een rondje om de boot zwemmen om af te koelen. De koelkast trekt de hitte ook niet echt. We moeten onze voorraden beperkt houden anders loopt het weg. ‘s Morgens in alle vroegte hijsen we ons in de bijboot om boodschappen te doen en roeien we heel rustig en heel langzaam naar de kant om een half uur te lopen naar de dichtstbijzijnde supermarkt om dan weer heel langzaam en rustig terug te bewegen naar de boot. Elke beweging is teveel. Het water is dan ook snel weer op. We gaan een nieuwe poging wagen.

Dit keer bellen we jachthaven twee. Tegen betaling kunnen we onze jerrycans vullen. We moeten bij steiger F zijn. We zoeken ons het schompes, maar nergens is steiger F te vinden. Er zit een aardige dame op een aardig jacht die ons ziet zoeken. Als Wim vraagt waar we water kunnen tappen biedt ze aan om hun slang te gebruiken. We betalen aan haar en Wim stapt de steiger op om de slang aan te sluiten.

Er komt een dinghy aangescheurd met een jongen in polo achter het stuur en een dame van middelbare leeftijd pontificaal schreeuwend en gebarend in het midden van de boot. Wij vragen ons af wat er aan de hand is en of er ergens een calamiteit is. Het blijkt dat wij de calamiteit zijn. Waar we het gore lef vandaan halen om op hun steigers te lopen. Dat is verboden. En zijn we trouwens wel ingeënt? Er komt nog wel meer onwelgevoeglijke taal uit haar mond. Er valt niets tegenin te brengen. Soms is het wijzer om te zwijgen. De leuke dame van het leuke jacht is zich ook van geen kwaad bewust. De aangeboden koffie laten we maar even voor wat het is. Wij pakken onze gevulde jerrycans, zetten die in de dinghy en peddelen weer terug. Als we uit de territoriale wateren van de jachthaven zijn, laat ze ons met rust. ‘Wat een raar mens.’ We proberen wat oorzaken te vinden voor de uitbarsting van het verbale geweld maar komen niet dan een slecht huwelijk, helemaal geen huwelijk, de overgang of ruzie met de baas. Het blijft gissen. We brengen onze twee kostbare jerrycans met water in veiligheid. De dame van het jacht heeft een goede deal. We zullen de rest van het water nooit meer halen. We kijken wel uit.

Als we terug zijn op de boot zie ik een visitekaartje van een haven liggen. ‘Welke haven heb jij eigenlijk gebeld?’ vraag ik.

‘Die van het kaartje.’

‘Dat is een andere als waar we geweest zijn. Kijk maar.’

Het verklaart wel dat we steiger F niet konden vinden, maar haar gedrag blijft een beetje apart. We sturen een mailtje naar de desbetreffende dame om het één en ander uit te leggen en onze excuses aan te bieden. Ergens in Spreuken staat ‘Een zacht antwoord keert de grimmigheid af’ dus dat proberen we in de praktijk te brengen. We krijgen een mailtje terug dat onze excuses geaccepteerd zijn, maar dat we voortaan eens beter moeten luisteren...

Omdat er een grens is aan ons incasseringsvermogen gooien we verder geen paarlen voor de zwijnen en doen er het zwijgen toe. Het drinkwater zeulen we de volgende keer wel vanuit de supermarkt mee naar huis.

Gelukkig is er ook nog goed nieuws. De kinderen komen. Ze hebben de eerste week een appartement geboekt, maar de tweede week ligt nog open. Wij hopen natuurlijk dat ze aan boord komen zodat we Comino en Gozo kunnen exploren. Het is wel wat krap met zijn zessen met maar maar één fatsoenlijke gastenhut, maar er gaan vele makke schapen in een hok.

Ze zien geen enkel probleem. In de ‘schuur’ naast de generator, een rol isolatie en het wasmachine kan je best nog slapen en anders op de bank in de kajuit of buiten in de kuip of op het dak. Plek zat.

Het hele spul komt aan boord. Iedereen werkt mee behalve de wind. Dat is de grote afwezige en als hij er is, komt hij uit de verkeerde richting. Tot grote frustratie van Wim, want hij wil zeilen. We doen nog wat halfslachtige pogingen zodat ze er een beetje aan kunnen ruiken, maar daar blijft het bij. Het mag de pret niet drukken. Er wordt gezond, gezwommen, gedoken, gesnorkeld, gegeten, gedronken, gebabbeld en geëxploord. Kortom we Genieten met een grote G.

We liggen in Crystal Bay als het groepje het onzalige plan krijgt om van de rots te springen want dat is leuk. Dat is helemaal niet leuk, denk ik nog. Maar wie luistert er nou naar mij?

Bij de eerste drie gaat het goed. Ik kijk niet, maar de geluiden zijn geruststellend. Karin is met Wim op stap en daar ben ik blij mee. Ze zal van mij niks horen. Als ze terug zijn, wil onze jongste spruit niet voor de rest onderdoen en klautert ze de rots op. Ik vind het helemaal niks.

Ze krijgt nog wat laatste instructies toegeschreeuwd en springt naar beneden. Aan de klap hoor ik dat de landing niet helemaal volgens plan verloopt. Na een benauwd ‘Nee’ op onze vraag of het goed gaat, wordt ze voorzichtig uit het water gehesen. Haar bovenbeen ziet bond en blauw met een eng wit stuk in het midden. Het lijkt wel verbrand. Ik slik mijn ‘Zie je nou wel’ in en ga aan de slag met koude blikjes drinken. Buiten haar been heeft ze ook pijn aan haar ribben.

Het lijkt me wel handig om even te overleggen met de Radio Medische Dienst van de KNRM. Hier werken huisartsen op vrijwillige basis die je 24/7 kan raadplegen.

‘Ja hallo, u spreekt met Wim Keesmaat. Ik wil...’

‘Wat is de naam van de boot?’

‘Exodos’. Ik wil...’

‘Wat is uw callsign?’

‘Eh... weet ik veel. Anja, weet jij ons callsign?’

Gelukkig weet ik dat uit mijn hoofd.

Wim antwoord: ‘PH3340, ik wil...’

‘Wat is uw mmsi?’

‘Eh... Anja, weet jij ons mmsi?

Ik zoek het nummer op.

Wim geeft het nummer door ‘Ik wil...’

‘Waar bevindt u zich?’

Wim geeft de coördinaten door.

‘Waar belt u voor?’

‘Ik wil graag uw advies voor onze dochter. Ze is van een rots gesprongen.’

‘Doet u dochter wel vaker dat soort dingen?’

‘Eh... ik geloof het niet.’

‘Meneer u ligt wel heel ver overal vandaan. Is dat wel verstandig?’

‘Daarom bel ik juist. Onze dochter is van een rots gesprongen en raar terechtgekomen...’

Als Wim zijn verhaal heeft gedaan, vraagt de arts of we een foto op kunnen sturen. We moeten iets medisch in de omschrijving zetten ander belandt het mailtje waarschijnlijk in de spam.

We zetten iets medisch in de omschrijving en horen er vervolgens niet meer van. Blijkbaar is het niet iets om ons zorgen over te maken. Dochterlief heeft weer praatjes en kijkt alleen moeilijk als ze moet ademhalen en bewegen. Pa wordt uit bed gebonjourd. Als hoofd van het gezin heb je een dienende rol en ons bed is de enige plek waar ze fatsoenlijk kan liggen. De volgende dag gaat ze voor de zekerheid toch maar een foto maken van haar ribben in het ziekenhuis. Dat is nog wel een gedoe met de bus, maar er is gelukkig niets gebroken.

De drie weken voorbij en voordat we het weten, moeten we alweer afscheid nemen. We varen naar Mgarr op Comino waar er een fastferry richting Valetta vertrekt. We lunchen met elkaar en dan zie ik het spul vertrekken. Het zal nooit wennen. Het was weer veel te kort, maar ik hou het droog dit keer. Tenminste zolang ze me kunnen zien...

Eindelijk komt de wind uit de goede richting. ‘Zal je net zien,’ moppert Wim. ‘Zijn ze net weg en dan kunnen we zeilen.’ Met een prettig windje zeilen we terug naar de baai in Valletta. Er moet nog een buitenboordmotor worden gerepareerd.

Wim heeft van iemand het telefoonnummer gekregen van een goede monteur. Het kost vele telefoontjes om hem eindelijk te pakken te krijgen. Hij denkt wel te weten wat de oorzaak is en zegt dat Wim ‘s avonds maar terug moet bellen om een afspraak te maken. Vervolgens neemt hij de telefoon niet op. Een paar dagen later neemt hij zijn telefoon wel op en zegt dat we hem de andere week maar terug moeten bellen want dan heeft hij meer tijd enzovoort enzovoort.

We bellen nog een dealer, maar die kan vanaf een afstand zien dat het niks meer wordt met die motor van ons en dat we beter een nieuwe kunnen kopen.

De motor blijft nog even op ons lijstje staan.


Ondertussen wordt Malta geteisterd door een hittegolf. Het kwik stijgt al snel naar zo’n 43 graden. Alles kost teveel moeite. Boodschappen doen is een crime. Vanwege de opvliegers van onze koelkast moeten we dat vaker doen dan normaal.

We leggen de dinghy aan bij een steile kade waar ik met veel moeite omhoog klautert en tussen de sigarettenpeuken, papieren servetjes, resten chips en lege blikjes beland. Ik ruik wat opgedroogde urine her en der, maar daar denk ik maar niet teveel over na. Het kan ook verbeelding zijn. Als ik met een rood hoofd eindelijk weer overeind sta, kijk in het vrolijke gezicht van Tulip en raak met haar in gesprek. Zo heet ze niet echt, maar haar Iraanse naam was een beetje te lastig om uit te spreken dus heeft ze haar naam maar veranderd. Het is een bijzondere vrouw. Ooit is ze als klein kind met haar familie gevlucht uit Iran. Toen ze ergens in Rusland een rivier moesten oversteken, kon haar moeder haar niet houden en dreef met de stroom mee. Een Russische soldaat viste haar uit het water en bracht haar terug naar haar moeder. Ze had nog nooit zulke blauwe ogen gezien. Het is niet voor niks dat haar huidige vriend Russisch spreekt en blauwe ogen heeft. Ze is met haar ouders in Zweden beland waar ze hun leven hebben opgebouwd. Haar ouders en zusje wonen daar nog steeds, maar zij bleef onrustig. Nu werkt ze in de gokindustrie op Malta. Er zijn heel veel online gokbedrijven op Malta gevestigd. Ik ken dat hele wereldje niet dus ik ben wel benieuwd hoe dat allemaal werkt. Weer een heleboel wijzer neem ik weer afscheid. Ze weet nog een groenteboer in een wijkje achter de haven. Dat scheelt weer een hoop sjouwen.



We trotseren nog een paar keer de bloedhitte omdat we toch nog wel bezienswaardigheden willen zien, maar het wil niet echt lukken tussen ons en Valletta. Ik vind er zelfs geen bal aan. Is het de hitte? Is het het gedoe om aan water en boodschappen te komen? Is het dat we die motor maar niet gerepareerd krijgen. Is het omdat er bijna geen onderdelen te krijgen zijn? Zijn het de mensen die teveel toeristen hebben gezien? Ik weet het niet. Ben ik het? Dat zou goed kunnen. De kluslijst groeit sneller dan dat wij hem wegwerken. Wij zijn vooral erg goed in om er over te praten. Dat kunnen we uren volhouden. Vooral op een leuk terrasje met koffie en iets lekkers, maar dat maakt het lijstje niet korter.


Ik weet niet zo goed wat we verder moeten. Voor de winter in Malta blijven is geen optie want de havens zijn te duur en ik heb het wel gezien daar. Ik voel me heel onbeschermd. De winden blijven draaien en het anker blijft krabben. Ik heb het gevoel dat ik altijd op scherp sta.

Eigenlijk zijn er maar twee opties. Tunesië of Sicilië. De eerste is financieel heel aantrekkelijk. We zouden zelfs de boot vrij goedkoop uit het water kunnen halen om eindelijk eens wat aan dat uitsteeksel te doen en wat nieuwe antifouling zou ook geen kwaad kunnen. Er begint al een aardig tuintje op de hul te groeien die Wim regelmatig te lijf moet gaan met een krabbertje. Maar er zijn geen vluchten naar Nederland en de politieke situatie is op dat moment ook verre van stabiel. Wat als ik niet naar Myriam en Quint kan als het zover is? Dan blijft Sicilië over, maar bootpapieren...

Ik stuur een mailtje naar een jachthaven in Licata en krijg direct antwoord. Ze hebben goede prijzen als je heel de winter blijft en ja, ze hebben plek en nee, ze hebben geen problemen met ons Nederlandse bootpaspoort. We zouden het voor de zekerheid nog even aan de plaatselijke coastguard vragen. We sturen braaf een mailtje. Daar hebben we nooit antwoord op gekregen. Als die zich niet druk maken, doen wij het ook niet. We boeken de winterplaats en ik haal opgelucht adem. De komende maanden zijn we onder de pannen en kunnen we de boot met een gerust hart achter laten als we naar Nederland gaan voor de bevalling.

We hebben geen reden om langer in Valletta te blijven.

De resterende tijd brengen we door in Marsalforn op Gozo. We varen met alweer een goede wind richting het kleine haventje. Het is een relaxt tochtje en ik begin er weer een beetje lol in te krijgen. Het hele haventje ligt vol met moorings, maar er is genoeg plek om te ankeren. We kunnen zonder al teveel problemen de dinghy aanleggen, de supermarkt is in de buurt en er zijn veel leuke restaurantjes. Als we ons vuil wegbrengen, blijkt er zelfs gescheiden afval te zijn. We staan keurig de boel te sorteren tot er een gemeentewerker komt. Hij haalt de grote vuilniszak te voorschijn waar al het gescheiden afval in verdwijnt en zegt dat het simpeler is om alles gelijk in die zak te gooien. Het ziet er aan de buitenkant in ieder geval verantwoord uit.

Ze geven veel wind op. We worden aangesproken in het haventje of we dat wel weten. Het tekent de sfeer in het dorp. Omdat we niet weten of het anker wel zal houden, informeren we of iemand weet van wie de lege moorings zijn. De ober in het restaurant beweert dat hij er nog nooit iemand aan heeft zien liggen. Wat hem betreft kunnen we ze gewoon gebruiken. Het geheel ziet er stevig uit. Er zitten twee nieuwe stevige touwen aan boei die naar twee gigantische blokken beton op de bodem leiden. Aan de achterkant maken we hem ook nog vast aan een andere mooring. We liggen nu aan drie punten vast. Laat de wind maar komen.

De twee volgende dagen waait het flink. ‘Die moorings waren een goed idee,’ zeggen we tevreden tegen elkaar. De derde dag gaat de wind liggen en kabbelen de golfjes weer vriendelijk tegen de romp.

We worden opgeschrikt omdat er een jacht tegen ons aan vaart. Vermoedelijk is hij losgeslagen en op drift, maar het blijkt met opzet te zijn. Het zijn de eigenaren van de moorings met hun schip. Wij vinden het een beetje vreemde manier van parkeren, maar snappen hun probleem. Het zijn aardige mensen. Snel maken we alles los en verplaatsen ons naar de volgende boei. Dat is nog niet zo simpel als er een jacht tegen je aangeplakt ligt. We proberen het hen zo makkelijk mogelijk te maken. In onze ogen is dat allemaal niet zo moeilijk, maar de communicatie verloopt niet geheel vlekkeloos. Ze zijn tot laat in de middag bezig om het voor elkaar te krijgen. De communicatie onderling verloopt blijkbaar ook niet zo goed.

‘s Avonds gaan we naar een Indiaas restaurantje. We hebben wat te vieren. We zijn vijfendertig jaar getrouwd en dat is een heugelijk feit, maar daarover de volgende keer meer...


Voor de beelddenkers de vlog van Wim over Malta



 


457 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven