• anjakeesmaat

Blog 29 Eindelijk...


Het wordt tijd dat ik weer eens iets van me laat horen, want ik loop al maanden achter. De blog wordt dus iets langer dan gewoonlijk. Ik was ooit al begonnen met deze blog. Deze is dus nog van voor medicane Ianos.

Allereerst maar over het zeilen. Is dat eigenlijk wel leuk? Geen idee en na bijna twee jaar klussen ben ik daar ook wel nieuwsgierig naar.

Van te voren heb ik me een paar dingen voorgenomen. Zo ben ik echt van plan om actief mee te gaan zeilen. De leeftijd om bevallig op het dek te gaan liggen ben ik voorbij en ik voel er ook weinig voor om als lijdend voorwerp met de fenders te gaan lopen rennen, terwijl de kapitein zijn orders brult. De afspraak is dus dat ik de boot uit de haven ga proberen de krijgen. Dat is met één arm in het gips ook wel het meest praktische. In theorie is dat een heel logisch verhaal. In de praktijk sta ik stijf van de zenuwen. Ik oefen heel de nacht de manoeuvres in mijn hoofd en doe geen oog dicht. Wim slaapt de slaap der gerusten en maakt zich nergens druk over.

We staan vroeg op. Het eerste grote project wordt de trossen losgooien. Het is een wat megalomane benaming voor de verzameling touwen en touwtjes waarmee de boot al jaren in de haven vastligt. We snijden ons letterlijk los van de kade en van Pylos. Dag leuke mensen, dag leuk dorp, op weg naar verre verten en hopelijk niet al te veel spanning en sensatie...

Ik sta verstijfd achter het stuur. Ik herhaal voor mezelf: ‘Motoren aan, eerst naar achteren, halverwege de boot van de buurvrouw naar stuurboord en dan weer vooruit.’ Wim duwt af van de kant. ‘Ga maar meteen naar voren, hoor,’ roept hij. Daar gaat mijn zorgvuldig ingestudeerde kunstje. Wat tuffen zachtjes de haven uit, gevolgd door wat vissersbootjes. Ik haal opgelucht adem. Het is gelukt en er zijn geen slachtoffers gevallen. Eigenlijk stelde het niks voor.

Volgens de altijd optimistische vorige eigenaar haalt de boot wel zo’n zes knopen per uur, dus daar stellen we ons, naïef als we zijn, een beetje op in. Dat is elf kilometer per uur. Volgens het CBS is de gemiddelde snelheid van een fiets zo’n twaalf kilometer per uur, om jullie even een idee te geven.

Wegens gebrek aan wind, wat ik helemaal niet erg vind, moeten we het eerste stuk motoren. Het is al snel duidelijk dat we die beloofde zes knopen never nooit gaan halen. Met beide motoren aan is het een zielige 2,7 knopen. Zo’n vijf kilometer per uur. De snelheid van een driewieler. We hadden beter kunnen gaan lopen. Onthaasten in optima forma. We passen de bestemming aan, anders wordt het nachtwerk en het is niet handig om de eerste keer in het donker een haven aan te lopen. De eerstvolgende haven die we tegenkomen is dertig mijl varen. Het gebrek aan wind zijn we gauw zat. Zeker omdat de autopilot, een soort cruisecontrol voor boten, het na 20 minuten voor gezien houdt. Dat wordt dus met het handje sturen. Aangezien ik me heb opgeworpen als stuurvrouw, valt mij deze schone taak te beurt.

Er komt zowaar een zuchtje wind. Wim hijst meteen alle zeilen en dan kan eindelijk de motor uit. De stilte is weldadig. We verdubbelen zelfs onze snelheid tot 4,2 knopen. Je zult er niet zeeziek van worden.

We zien helemaal niemand. De zon schijnt, het water klotst en verder is het stil. Heel in de verte horen we af en toe een verdwaalde meeuw en dat is het zo’n beetje. Als ik me niet al zo druk zou maken over het aanleggen aan het einde van deze dag, of er wel plek is, of er niet nog meer kapot gaat en wat die geluidjes zijn, of we het wel gaan halen met daglicht en of we die stuurautomaat wel gemaakt krijgen, zou ik er echt van genieten. Echt waar!

We varen zo langzaam, dat er bijna niet te sturen valt. Als ik op een gegeven moment een rotswand voor me zie verschijnen, in plaats van naast me, moeten toch de motoren maar weer aan.

Tergend langzaam schuiven we vooruit. De zonsondergang is prachtig en het is al lang donker als we eindelijk in Kiparissía aankomen.

De haven is bijna leeg. We kunnen zelfs langszij aanleggen, wat met mijn gebroken arm wel een stuk handiger is. Als we aan de kant komen, staat er een man op de kade die de landvasten aanpakt. Een engel in de vorm van een van de opvarenden van een luxe jacht een stukje verderop. Ik heb me weer voor niks druk gemaakt. Behalve een kapotte stuurautomaat, een onduidelijk lek, bijna tegen een rots aan en in het donker aankomen, was er niet veel aan de hand, maar achteraf genieten met koud drinken in de kuip is ook leuk. Dat waren weer een hoop emoties vandaag, van ‘we verkopen dat kreng!’ tot ‘dit is fantaaaastisch!’

Volgens het logboek hadden we water in de bilge (kelder) en dat kwam door een stukje polyester in de pomp. Ook bleek het rubbertje uit de terugslagklep weg te zijn. Het plasje was geen lekje van de saildrive, maar is waarschijnlijk wat gelekte diesel. Ik kan het me niet herinneren. Heb ook geen idee wat ik met die opmerking bedoel. Voor de juiste verslaglegging schrijf ik het toch maar op. Er is altijd wel iets kapot, dus het maakt niet zoveel indruk meer. Het goede nieuws is dat Wim het altijd weer krijgt gerepareerd. Hij is een soort varende variant van MacGyver.

Kiparissía is wel een grappig plaatsje. De haven is net zo verwaarloosd als de meeste havens in dit deel van Griekenland. Het voordeel is dat er geen liggeld betaald hoeft te worden. Het nadeel is dat de voorzieningen niet meer werken. We mogen water tappen bij het restaurantje. In ruil daarvoor eten we daar een paar keer, wat geen straf is. We ontmoeten een ouder stel, Paul en Eveline, die al hun halve leven op de Middellandse Zee ronddobberen. Paul is monteur en kan het werk bijna niet aan. Hij is een bron van goede informatie en we leren een hoop van hem. Ze nodigen ons uit om te komen eten en we genieten van hun gezelschap.

Er komt een grote Italiaanse vissersboot achter ons liggen en we kletsen wat met de vissers. Het leven in het haventje is gemoedelijk. Voor ons ligt een dure catamaran. Het varende paleisje is van een gepensioneerd stel. Hij vindt het fantastisch. Als ik later met mevrouw spreek, blijkt die het verschrikkelijk te vinden. Haar hele leven volgt ze hem al gedwee. Dat is hij gewend, dus doet ze dat nu ook. Morgen vertrekken ze weer. We zijn verbaasd als we de volgende morgen zien dat ze er nog steeds liggen. Mevrouw heeft last van haar hart, dus nu moeten ze eerst even een dokter opzoeken...

We beseffen dat er in de ankerbak nog 70 meter ketting ligt niet op de ankerlier past en eigenlijk veel te zwaar is om zomaar mee rond te blijven varen. In het kader van de ‘verlichting’ moet dat dus weg, maar waar laat je 70 meter ketting? We melden bij de patrouillerende havenpolitie dat hij te krijg is en of ze iemand weten die eventueel interesse heeft. Binnen tien minuten komt er een plaatselijke visser die hem wel kan gebruiken. Daar zijn we ook weer van af. De havenpolitie zwaait vriendelijk als we ze tegenkomen en de visser ook. We zijn weer onderweg en dat voelt goed. We bestuderen het weer en wanneer ze wat meer wind opgeven en dan ook nog uit de goede richting, wordt het tijd om te vertrekken.

We zijn omringd door een flottielje. Dat is een soort busreis voor zeilboten. Mensen huren een boot en de rest wordt geregeld door de ‘reisleiding’. Oh ja, en ze krijgen ook allemaal een T-shirt en een vlaggetje, en om 17 uur happy hour met een hapje en een drankje. Tijd voor sterke drank en sterke verhalen, en instructies voor de volgende dag.

‘Hoe heet dat plaatsje waar we morgen naartoe gaan?’ hoor ik een vrouw vragen. Gelukkig vertrekken ze allemaal vroeg. Maar zo soepel gaat het allemaal niet. Het is goed voor mijn zelfvertrouwen. Wanneer alle amices zijn verdwenen, gooien ook wij de trossen los. De Italiaanse vissers klappen enthousiast als ze me achter het stuur zien staan. Ik kan sturen, met één handje.


Gelukkig kunnen we nu grotendeels zeilen. Dat is zoveel fijner dan motoren. We halen zelfs de 7,2 knopen. Wat een absoluut record is. Zou dat komen omdat we zeventig meter ketting kwijt zijn, of door Wims fantastische zeilkwaliteiten? We houden het op het laatste. Bij de autopilot blijkt een stekkertje los te zitten. Als we dat weer vastmaken, hebben we heel de dag geen last en kunnen we het sturen aan de automaat over laten en hoeven we alleen maar te controleren of we nog steeds in de goede richting varen. Het zeilen wordt steeds leuker.

In Katakolón liggen grote cruiseschepen voor anker. Vanwege Corona liggen ze stil. Het is wel apart om langs die enorme kolossen te varen. “Mein Schiff” staat er met koeienletters op. We voelen ons een beetje Calimero, maar wij varen en zij niet, gniffelen we zachtjes.

We ankeren buiten de haven en hebben zo ons eigen eilandje. We gaan met de bijboot naar de kade en kijken of we nog wat water kunnen scoren. Er staat een Griek zijn boot schoon te spuiten, dus wij erop af. Het is een aardige man. Behalve water, komt hij met kaas en een fles versgeperste olijfolie aanzetten. We danken hem hartelijk en vertellen hem maar niet dat we al zo’n dertig liter aan boord hebben. Voorlopig kunnen we genieten van eerste klas kwaliteit Griekse olijfolie.

Als dank laten we benzine achter. De buitenboordmotor lekt. We schamen ons, maar de man maakt er niet zo’n probleem van.

Het dorpje is uitgestorven. Waar normaal hordes toeristen van de cruiseschepen het plaatsje bevolken, is het nu leeg. Het is een grote strop voor de plaatselijke economie. We eten wat in een klein restaurantje. Behalve de eigenaar en een groepje vrienden zijn we de enigen.

De volgende trip gaat naar Zakynthos. We zijn er inmiddels achter dat onze onderzeeër met zeilen genoeg wind nodig heeft om vooruit te komen, dus daar zoeken we het weer op uit. Het werkt. We zijn nu een stuk sneller (een top van 8,9 knopen) en het is veel leuker zeilen. Sneller dan verwacht arriveren we in Keri. Het ankeren is lastig met 25 knopen (6 BF) maar met wat gehannes lukt dat wel. Een kwestie van beter communiceren, komen we achter.

Zakynthos is een mooi eiland. Er zijn nog genoeg restaurantjes open en het stikt er van de Engelse toeristen die als dank voor het aangenaam verpozen wat besmettingen achterlaten. Er ligt een leuk eilandje voor de kust, Turtle Island, waar het prachtig snorkelen is. En natuurlijk de bekende Shipwreck Bay. Normaal gesproken een hotspot, maar nu uitgestorven. Dat is weer een voordeel van heel het Covid-gedoe. Voor ons dan. Volgens onze Deense buren in Pylos is de baai ‘s nachts erg ‘choppie’. Ze hadden geankerd en waren aan land gegaan, maar durfden ‘s avonds niet terug vanwege de golven en hadden de nacht op het strand doorgebracht.

Shipwreck Bay is prachtig. Nog nooit zulk blauw water gezien. Het is een plaatje. We zijn alleen en genieten van deze bijzondere plek. Wim haalt de drone tevoorschijn. Dan moet ik gaan zwemmen en dan gaat hij met drone filmen. Ik zie er niet zoveel heil in, maar goed, je kunt niet altijd een party pooper zijn. Ik zwem bevalling heen en weer, blijf drijven, stukje vooruit, weer een stukje naar achteren. Als Wim de beelden bekijkt, komt hij er achter dat er helemaal geen beelden zijn. Iets met aanzetten terwijl het uitzetten is. Je wil zeker niet nog een keer...? Nee, dat klopt, schat. Dus blijft alleen de prachtige baai over.

Het is inderdaad erg ‘choppie’ ‘s nachts. We hotsten en klotsen. Daarbij is het aardedonker. Midden in de nacht hoor ik met donderend geraas vijftig meter ankerketting naar beneden storten. Ik zit rechtop in bed. ‘Wim!!! Het anker!!!’ Mijn lief springt uit bed en ik sta vanuit het dakluik commentaar te leveren. Hij hijst de vijftig meter ketting weer omhoog en zet hem deze keer extra vast met een touwtje. Weer wat geleerd. Na een paar minuten slapen gaat de wekker alweer, want we willen vroeg vertrekken. Het is nog donker als we wegvaren. Het heeft wel wat, dat geklooi samen. De wind is goed, het zeilen is leuk en in de verte zien we dolfijnen. Wat wil je nog meer?

Van mij mag het zo blijven. We komen nog voor het donker in Argostoli aan, waar we een prima plekje vinden aan de kade. De boot wordt omgeven door schildpadden. Het zijn een stelletje fastfoodjunks die verslaafd zijn aan de vissen die ze ‘s morgens van de vissers krijgen. Ze vertonen al lang geen natuurlijk gedrag meer en hangen volgevreten rond in de haven. Er is een groepje onderzoekers bezig om ze in kaart te brengen en hun gedrag te bestuderen. Elke morgen zien we hen verschijnen en worden de gegevens bijgehouden. De meisjes hebben meer oog voor de student die het onderzoek leidt dan voor de schildpadden. Af en toe wordt er een aan de kant gehesen om een tag op aan te brengen. Er zijn redelijk wat vakantiegangers. Griekenland heeft nog een redelijk toeristenseizoen. Wij pikken nog even het vakantiegevoel mee. Dat zal snel veranderen, want er is een orkaan in aantocht. Alleen weten we dat nog niet...

Voor de beelddenkers nog de bijbehorende vlogs.








293 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven
This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now